De hoorn is een muziekinstrument dat sinds lange tijd belangrijke functies heeft vervuld.

Tegenwoordig kennen we de hoorn als blaasinstrument, maar vroeger werd er bij de jacht gebruikgemaakt van dit instrument. Hoorns werden ook gebruikt om signalen door te geven, zoals de posthoorn, signaalhoorn en bugel. De hoorn wordt gerekend tot de koperblazers.

Een hoorn is een koperen buis die begint met een mondstuk van ca. 17 mm. doorsnede, daarna breder wordt tot circa 12 cm. Na een cilindervormig gedeelte mondt de buis uit in een beker met een doorsnede van circa 30 cm. De beker is beduidend groter en anders van vorm dan die van de trompet. De totale lengte van de hoorn is afhankelijk van de grondstemming van het instrument: een Bes-hoorn is ongeveer 2,75 m, een F-hoorn 3,78 m en een C-hoorn 4,72 m. Tegenwoordig is een combinatie van twee hoorns in één instrument gebruikelijk, namelijk de dubbelhoorn (F - Bes). Dit is het standaard instrument in professionele symfonieorkesten. De dubbelhoorn wordt gebruikt voor het vergroten van het bereik en het krijgen van een andere klankkleur of timbre: de Bes-hoorn heeft een scherpere klank waardoor het meer geschikt is voor signalen; de f-hoorn is zachter van klank waardoor hij meer geschikt is voor het samenspel met houtblazers en strijkers. De hoorn heeft standaard drie draaiventielen. Er kan ook nog een stopventiel op zitten, wat het totaal tot vier maakt. Bij een dubbelhoorn kan men schakelen tussen de twee hoorns door middel van een soort trigger.

Oorsprong

Duizenden jaren werden hoorns en bazuinen gemaakt van de hoorns van dieren uit de familie van de holhoornigen, zo wordt het hoorngeschal al in de Hebreeuwse Bijbel genoemd en in (Jozua 6:3-6).

Door een gat aan het eind of aan de zijkant kon je door je lippen te laten trillen, tonen maken. Tussen de 12e en 16e eeuw ging men van de eenvoudig gekromde vorm van een dierenhoorn over op de gewonden vorm, waaruit zich de 18e-eeuwse natuurhoorn ontwikkelde. Op een natuur- of jachthoorn kon men de natuurtonenreeks spelen: c-groot, c-klein, g, c1, e, g, bes, c2, d, e, fis, g, a, bes, b, c3, cis, d, dis, e, f. Door de hand in de beker te brengen (het zgn. stoppen) kon de natuurtoonreeks gemanipuleerd (preciezer: verhoogd) worden zodat chromatische toonladders gespeeld konden worden.

Ontwikkeling

Bij de hoorn werd een serie rondgebogen buizen geleverd met verschillende lengte, zo kon de hoorn naar verschillende grondstemmingen omgestemd worden; de zgn. Cor d'Orchestre. In 1754 ontwikkelde Hampel uit Dresden de zogenaamde inventiehoorn. Een van de grote windingen onderbrak hij en daartussen plaatste hij een U-vormige, uitschuifbare stembuis (die vinden we aan de achterkant van hedendaagse hoorns nog steeds!). De hoorn stemde nu beter. Voor dit soort hoorn heeft Mozart zijn hoornconcerten geschreven. Een volgende ontwikkeling was de Cor Solo. Deze had een vaste mondpijp, zodat het mondstuk altijd hetzelfde ten opzichte van de hoorn zat. De U-vormige stembuizen waren nu uitwisselbaar, maar alleen in de hoofdtoonsoorten: D, Es, E, F en G, zodat de hoornist partijen in andere toonsoorten moest gaan transponeren. Bijvoorbeeld een partij in C op F-beugel. Deze ontwikkeling begon in Frankrijk rond 1830. Door het transponeren ontstond de zogeheten Cor-Mixte, die slechts anderhalf octaaf bereik had. Een ontwikkeling die uitgestorven is.

In het Duitse taalgebied werden rond 1815 ventielen op de hoorn ontwikkeld; eerst 2, later 3 ventielen. Uit studie van oude hoornmethoden blijkt dat de ventielen werden gebruikt om toonladders te spelen zonder gebruik van de rechterhand, zoals bij de natuurhoorn gebruikelijk was. Robert Schumann was een van de eerste die voor ventielhoorn schreef; zijn beroemde Adagio en Allegro. Brahms en von Weber (beiden amateur hoornisten!) waren grote tegenstanders van de 'moderne' ventielhoorn, omdat de kleurschakeringen van de natuurhoorn met het gebruik van de ventielen verloren ging. Brahms noemde de ventielhoorn spottend een Blechbratsche (lett: koperen altviool). In Zwitserland, waar Henri Kling werkte, was een gemixte techniek in zwang: natuurhoorntechniek met gebruik van ventielen. Hoornisten maken slechts gebruik van natuurhoorntechniek wanneer dit door de componist uitdrukkelijk voorgeschreven is. Muziek van bijvoorbeeld Mozart wordt door moderne hoornisten met ventielen gespeeld.

Rond 1900 werd de dubbelhoorn ontwikkeld, een combinatie van F-hoorn en Bes-hoorn in één instrument. Hiermee kon de romantische toon van de F-hoorn gecombineerd worden met de voordelen van een korter buis (de Beshoorn). Sinds de revival van authentieke muziekinstrumenten is de natuurhoorn weer populair geworden en kennen we weer de kleurschakeringen die Brahms en Weber bedoelden.

Een tussenvorm van de dubbelhoorn, is een hoorn waarbij tussen het mondstuk en de rest van het instrument een aparte buis wordt gezet waardoor de hoornist van stemming kan veranderen. In tegenstelling tot de inventiehoorn hoeft hierbij de stembuis niet opnieuw ingesteld te worden.